Onderzoeken

Je wilt graag een kind. De vervulling van deze wens is niet voor iedereen vanzelfsprekend.
Ongeveer één op de zes stellen raakt niet binnen een jaar zwanger. Soms duurt het gewoon langer, soms is er een probleem met de vruchtbaarheid.

Als je wordt doorverwezen naar Fertiliteitskliniek Twente, wordt er een oriënterend fertiliteitsonderzoek (OFO) verricht. Dit is een eerste onderzoek om te kijken waarom een zwangerschap uitblijft.

Tijdens dit onderzoek bekijken we stap voor stap mogelijke oorzaken. We onderzoeken de vruchtbaarheid van zowel de vrouw als de man.

Meer informatie over de verschillende onderzoeken kun je lezen op de pagina’s Fertiliteitsonderzoek vrouw en Fertiliteitsonderzoek man.

Oorzaken

Subfertiliteit (verminderde vruchtbaarheid) wordt in gelijke mate veroorzaakt door:

Vrouwelijke factoren (ca. 30-40%),
mannelijke factoren (ca. 30-40%) of een combinatie hiervan.

In 30% van de gevallen blijft de oorzaak onverklaard.

Mogelijke oorzaken bij de vrouw

  • Problemen met de eisprong (ovulatiestoornis): De eisprong komt niet of onregelmatig. Dit komt vaak door PCOS (polycysteus ovarium syndroom).
  • Problemen met de eileiers (tubapathologie): de eileiders zijn verstopt of beschadigd. Vaak als gevolg van infecties (bijv. chlamydia) of ernstige endometriose.
  • Leeftijd: De kwaliteit van eicellen gaat al vanaf 30 jaar langzaam achteruit. Vanaf 35 jaar gaat dit vaak sneller. Dan nemen zowel de kwaliteit als het aantal eicellen sneller af.
  • Afwijkingen van de baarmoeder: bijvoorbeeld vleesbomen (myomen) of verklevingen.
  • Endometriose en adenomyose: dit kan onder andere buikpijn veroorzaken tijdens de menstruatie of tijdens het vrijen, en kunnen voor vruchtbaarheidsproblemen zorgen.
  • Slechte spermakwaliteit: Er zijn minder zaadcellen, ze bewegen minder goed of hebben een afwijkende vorm.
  • Leefstijl: Roken, veel alcohol of drugsgebruik en overgewicht kunnen de vruchtbaarheid verminderen.
  • Medische oorzaken: Bijvoorbeeld niet-ingedaalde testikels, spataderen in de balzak, infecties (zoals bof) of erfelijke afwijkingen.
  • Hormonale problemen: Stoornissen in hormonen die de aanmaak van zaadcellen beïnvloeden.
  • Problemen met zaadleiders: De zaadcellen komen niet goed naar buiten door een afsluiting, bijvoorbeeld na een sterilisatie of door ontstekingen. Ook kunnen ze niet goed zijn aangelegd.